Feeds:
Posts
Comments

 

Dat er een onderscheid bestaat tussen de juridische en feitelijke waarheid is al langer bekend. Dit geldt niet anders voor de appreciatie van eventuele schendingen van het beroepsgeheim, verplichting waaraan elke magistraat in beginsel is gehouden.

In Fortisgate is immers gebleken dat door de hiërarchie beschermde magistraten (zoals Blondeel en Salmon, die nooit geschorst werden in de nasleep van Fortisgate en voor wie het Hof van Cassatie in zijn verwijzingsarrest dd. 19 januari 2010 op voorhand ‘verzachtende omstandigheden’ heeft ingeroepen) “immuun” zijn voor de schending van het beroepsgeheim. Ironisch genoeg lijkt de hoogste beschermheer -cassatievoorzitter Londer- die immuniteit nu stilaan te verliezen.

 

De ‘immuniteit’ van Blondeel

De eerste magistraat tegen wie geen procedure werd gestart voor mogelijke schending van het beroepsgeheim is Paul Blondeel, ondanks bepaalde bezwarende aanwijzingen. Professor Vuye stelt hierover: “Het stoort me ook dat er voor een mogelijke schending van het beroepsgeheim met twee maten gemeten wordt: Schurmans werd geschorst, maar een gedetailleerde schriftelijke nota van Blondeel voor de parlementaire onderzoekscommissie over het verloop van het beraad in de 18e kamer, bleef zonder enig gevolg” (Knack, 13 oktober 2010, “Londers in een 19de euwe satraap”).

Naast zijn brief dd. 9 maart 2009 aan de parlementaire commissie ‘scheiding der machten’ heeft Blondeel ook uitgebreid contact gehad met parlementair Dirk Van der Maelen. Op zijn site heeft Van der Maelen bevestigd dat hij inderdaad de gewoonte heeft en het voor hem volstrekt normaal is om na de uitspraak van een arrest hierover duiding te krijgen bij ‘zijn rechter’ (zie het intussen verwijderde artikel “Het arrest was al geveld. Ik heb gewoon mijn werk gedaan als parlementslid” dd. 27 september 2009, nog deels te consulteren ‘in cache’).

 

De ‘immuniteit’ van Salmon

Volgens meerder berichten in DT (“Fortisgate barst opnieuw los”, DT 2/10/2010; “De eeuwige geheimen van Fortisgate” DT 21/11/2009) heeft magistraat Mireille Salmon over de inhoud van het Fortis-arrest duiding gegeven in een e-mail dd. 4 februari 2009 aan Lionel Perl (thans bestuurder bij BNP Paribas Fortis). In deze e-mail zou Salmon Perl erop hebben gewezen dat de beslissing van de aandeelhouders op de algemene vergadering de geldigheid van de overeenkomsten met BNP Paribas niet kon aantasten, en zou zij hebben bevestigd dat de stemming m.a.w. geen enkele juridische draagwijdte had.

Tegen Salmon werd evenmin een procedure gestart wegens mogelijke schending van het beroepsgeheim.


De ‘immuniteit’ van Londers?

Volgens meerdere berichten (Knack, 13/10/2010; DT, 6/11/2010, 2/6/2010, 3/6/2010; Le Vif, 5/11/2010) zou het Brusselse parket-generaal op aangifte van onderzoeksrechter Heimans een strafprocedure hebben opgestart tegen Londers wegens schending van het beroepsgeheim.  Door in zijn cassatienota dd. 19 december 2008  op basis van informatie bekomen van zijn ‘beschermelingen’ te stellen dat Schurmans door Blondeel en Salmon was geminoriseerd (ervan uitgaand dat het beraad geldig is verlopen) en zijn interpretatie over het verloop en de uitkomst van het beraad publiek kenbaar te maken, zou Londers zijn beroepsgeheim hebben geschonden.

 


 

 

Est-ce que l’immunité dont jouit Guy Delvoie en tant que juge au Tribunal pénal international pour l’Ex-Yougouslavie (TPIY) fait obstacle à une éventuelle instruction par le parquet-général à Bruxelles?

C’est la question qui se pose à l’occasion des dernières évolutions dans l’affaire Fortis. Selon certaines sources, en effet, le juge d’instruction Heimans aurait récemment lancé une dénonciation (en vertu de l’article 29 du Code d’instruction criminelle) à l’encontre de Guy Delvoie pour faux témoignage devant la Commission parlementaire sur la séparation des pouvoirs.

En droit international, il existe plusieurs régimes d’immunités correspondant à des niveaux de protection variables.

Ainsi, il est important de discerner soigneusement le régime d’immunités accordé aux diplomates de celui accordé aux fonctionnaires des Nations Unies (le régime applicable au juge international au TPIY est assimilé à ce dernier régime, cf. infra).

Le régime d’immunités accordé aux diplomates est régi par la ‘Convention de Vienne sur les relations diplomatiques’ de 1961. En vertu de l’article 31 de cette convention, les agents diplomates bénéficient de larges immunités et sont ‘protégés’ contre la juridiction pénale, civile et administrative de l’état accréditaire (bien que ces immunités ne sauraient exempter les agents diplomatiques de la juridiction de l’Etat accréditant).

En revanche, les immunités accordées au juge international sont nettement moins larges. Quel est l’instrument juridique applicable? Selon l’article 30 du Statut du TPIY,la Convention sur les privilèges et immunités des Nations Unies en date du 13 février 1946 s’applique au Tribunal international, aux juges, au Procureur et à son personnel ainsi qu’au Greffier et à son personnel”.

Or, cette dernière convention prévoit explicitement ce que la convention de 1961 ne prévoit pas: dans la section 18 sur “les fonctionnaires de l’Organisation des Nations Unies” –c’est bien cet article qui est applicable puisque ledit Statut assimile le juge au fonctionnaire des NU (rappelons, d’ailleurs, que le TPIY a été crée par le Conseil de sécurité)– il est précisé que ceux-ci “jouiront de l’immunité de juridiction [mais seulement] pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle”.

Dans le même sens, le Professeur David écrit: “les privilèges et immunités des fonctionnaires […] ne visent pas à procurer à leurs bénéficiaires des avantages qui sont généralement refusés aux commun des mortels. […] Leurs privilèges et immunités s’inscrivent plutôt dans le cadre général de la protection accordée aux organisations internationales. Dans la mesure où les fonctionnaires et agents sont le moteur de l’organisation internationale, il importe de protéger celui-ci contre tout ce qui pourrait gripper le mécanisme. […] L’immunité est limitée aux actes de la fonction. […] Quid en cas d’arrestation, de poursuite ou de condamnation d’un fonctionnaire pour un fait extérieur à sa fonction? L’immunité de juridiction prévue par les instruments [précités] ne le protège évidemment pas. […] La distinction parfois faite entre immunité de juridiction et d’exécution n’est pas pertinente: si l’immunité est limitée aux actes de la fonction, la levée de l’immunité de juridiction implique nécessairement la levée de l’immunité d’exécution (E David, le droit des organisations internationales)”.

En conséquence, tous les actes commis par Guy Delvoie qui sont sans lien avec son actuelle fonction comme juge international au TPIY peuvent faire l’objet d’investigations judiciaires.

1. “Onvolledig verslag”

De Hoge Raad voor de Justitie (“de Hoge Raad”) heeft onlangs zijn verslag uitgebracht over Fortisgate (bekijk het verslag onder de rubriek Public Documents).

Na één jaar dralen vond de Hoge Raad het toch “noodzakelijk om, zonder de uitkomst van de lopende strafrechtelijke en tuchtrechtelijke onderzoeken af te wachten, alvast een verslag uit te brengen over het bijzonder onderzoek naar de zaak-Fortis”. De Hoge Raad erkent expliciet dat het verslag hierdoor “onvolledig” is.

De Hoge Raad mag dan wel stellen dat hij zich “niet [mag] bemoeien met de gerechtelijke behandeling van een lopend dossier” en “rekening [dient] te houden met de lopende gerechtelijke, strafrechtelijke, en tuchtrechtelijke procedures” omdat hij ”niet voorbij [kan] aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, die luidt dat het recht op het vermoeden van onschuld […] wordt geschonden wanneer een ‘publieke overheid’ een persoon die van een strafrechtelijke inbreuk wordt beschuldigd, voor die inbreuk schuldig verklaart nog voor de rechtbank die daartoe bevoegd is, over die persoon heeft geoordeeld.

Toch is dit exact wat de Hoge Raad doet: zich bemoeien met lopende zaken, hierbij soms contradictoire standpunten innemen over bepaalde magistraten en zodoende het recht op een eerlijk proces van de betrokkenen op de helling plaatsen. We tonen dit aan met een drietal voorbeelden: de éne magistraat zou –volgens de Hoge Raad– onprofessioneel hebben gehandeld, diezelfde en andere magistraten zouden zich hebben bezondigd aan maatregelen van een “ongeoorloofd karakter” (i); een andere magistraat zou zich niet hebben willen neerleggen bij een beraad dat geldig zou zijn verlopen, en het Openbaar Ministerie zou zich hebben willen moeien met de inhoud van het beraad (ii).

2. “Delvoie, Blondeel en Salmon gingen in de fout”

Het verslag bevat een duidelijke sneer naar de voormalige voorzitter van het Hof van Beroep van Brussel, Guy Delvoie. Delvoie is de persoon die beheerst “tweemaal tot honderd heeft moeten tellen” om zijn kalmte te bewaren toen de Procureur-generaal hem (op de dag dat het Fortisarrest werd uitgesproken) had voorgesteld om de samenstelling van de achttiende kamer te wijzigen. Hij had dit voorstel immers als “druk gepercipieerd” (zie verslag parl. comm., onder de rubriek Public Documents). Ondanks deze beheerste reactie (in moeilijke omstandigheden) wordt Delvoie door de Hoge Raad nu verweten “weinig blijk [te] hebben gegeven van het nodige professionalisme en stressbestendigheid om een bijzonder gewichtige en delicate zaak als deze tot een goed einde te brengen”. Dit ongenuanceerd standpunt terwijl er over zijn professionele capaciteiten als korpschef thans tuchtprocedures hangende zijn. Waarom spreekt de Hoge Raad zich zo uit over Delvoie?

In de strafprocedure die hangende is tegen Delvoie, maar ook tegen de Fortisrechters Blondeel en Salmon, wordt tevens onderzocht of deze magistraten een vierde magistraat –Schurmans– zouden hebben belaagd. Volgens het verslag van de parlementaire commissie zou deze aantijging o.a. steunen op de inschakeling van politiediensten de dag van de uitspraak van het arrest. De Hoge Raad neemt over dit initiatief nu reeds standpunt in: “nadat een magistraat zich ziek had gemeld (gestaafd door een medisch attest), werden meerdere stappen ondernomen, met inbegrip van het inschakelen van de lokale politie om de zieke raadsheer te kunnen contacteren […] Dergelijke handelswijze hield risico’s in. Bij afwezigheid aan een specifiek sociaal statuut voor de magistraten bestaat twijfel over het geoorloofd karakter van deze maatregelen. Waarom neemt de Hoge Raad op dit punt duidelijk standpunt in tegen Delvoie, Blondeel en Salmon?

3. “Schurmans en het Openbaar Ministerie gingen in de fout”

Tenslotte gaat het verslag subtiel uit van bepaalde ongeverifieerde premissen. Hierdoor neemt de Hoge Raad in een individuele zaak opnieuw standpunt in. De Hoge Raad bevestigt immers een welgekend vooroordeel en bestendigt  op die manier de “karaktermoord” op raadsheer Schurmans (DT, 23/12/09). Welk vooroordeel? Dat het beraad in de zaak-Fortis niet werd aangetast door onregelmatigheden, en dus geldig was. Welke karaktermoord? De bewering dat de “interne moeilijkheden van de zetel” waren gebaseerd op “relationele moeilijkheden” of “persoonlijke conflicten” die terug te koppelen zijn aan het “onverzoenbaar humeur” van raadsheer Schurmans.

Wat dit laatste betreft: het is o.i. magistraten, en alle leden van de Hoge Raad, onwaardig om disfuncties te reduceren tot onverifieerbare karaktertrekjes. Bovendien is de karakterbeschrijving onverzoenbaar met een ander beeld dat van deze magistraat wordt opgehangen, met name dat zij slaafs de regering Leterme I zou hebben gediend (door de inhoud van het beraad via haar echtgenoot door te sluizen). Het maakt niet echt uit of deze en gene karakterbeschrijvingen kloppen of niet: voor een jurist die zijn analyses dient te steunen op feiten en tekst is dit irrelevant, en in feite not done.

Waarom dan zo’n “karaktermoord”? Men merke op dat dit toelaat om de reeds vermelde premisse aan te scherpen, met name dat Fortisgate in wezen is te herleiden tot de problematiek van een rechter die zich niet wil neerleggen bij de meerderheid na geldig beraad. De Hoge Raad gaat hier blijkbaar van uit: als in het rapport staat dat “de raadsheer […] te ziek was om het arrest te ondertekenen”, gaat de Hoge Raad ervan uit dat er niets meer was om te beraadslagen, en dat het beraad geldig was verlopen.  Als de Hoge Raad stelt dat “de kamervoorzitter in de zaak Fortis ‘een einde [heeft] gesteld aan het beraad’ (bedoeld wordt de ‘bespreking’) omdat een magistraat zich niet wilde neerleggen bij de opinie van de twee anderen” en dat “deze zich [had] moeten aansluiten bij de beslissing van zijn collega’s” omdat  “deze […] in de minderheid werd gesteld”, wordt er niet bij stilgestaan dat er tijdens het beraad mogelijkerwijs andere problemen de kop hebben opgestoken dan ‘louter’ inhoudelijke tegenstellingen, problemen die inhoudelijke tegenstellingen ver overstijgen omdat zij aan de essentie van de beraadslaging –begrip waar de bespreking, de dissensus, de discussie en het wikken en wegen centraal staan– en dus de rechtsprekende functie raken: de eenzijdig opgelegde weigering van een magistraat om teksten dan wel argumenten die het uiteindelijke arrest moeten vormen aan enige bespreking binnen de zetel te onderwerpen, en de eis van die magistraat om de tekst ondanks die weigering en ondanks een ziektetoestand te laten ondertekenen door de collega die niet heeft mogen deelnemen aan het beraad: “Le délibéré est terminé. Plus aucune contribution de ta part n’est attendue.”

In Fortisgate is dit recurrent: het extrapoleren van een vormprobleem dat evenwel de essentie van de rechtstaat raakt en in feite in het verlengde ligt van het recht op tegenspraak van de partijen in een geschil –over elke zaak die voor een rechtbank wordt gebracht moet ook daadwerkelijk gediscussieerd worden tussen alle de geadieerde rechters– naar een ‘louter’ inhoudelijk probleem, die van inhoudelijke tegenstellingen binnen de zetel. Iets in deze trant: ‘Als die Fortisrechter klaagt over vormproblemen zal dat wel een soort van excuus zijn omdat ze inhoudelijk niet op dezelfde lijn stond …’

Maar het is best mogelijk dat raadsheer Schurmans enkel op basis van een vormprobleem –ongeacht of dit zich voegt bij mogelijke inhoudelijke tegenstellingen binnen de zetel– haar stem heeft laten horen in e-mails waarnaar ook de Hoge Raad verwijst staat er: “De betrokken raadsheer geeft eveneens aan dat er op onregelmatige wijze druk op hem werd uitgeoefend opdat hij het arrest zou ondertekenen, en signaleert kennelijk illegale praktijken, zonder nadere preciseringen toe te voegen.” In tegenstelling tot wat de Hoge Raad beweert werd wel gepreciseerd wat was bedoeld:

“Daarenboven werd het beraad over de zaak zelf onregelmatig beëindigd door Paul Blondeel op woensdag 10 december, – hoewel de uitspraak was voorzien voor maandag 15 december. Ik wens het grootste voorbehoud te formuleren bij deze praktijken die manifest onwettig zijn en de druk die daarbij wordt uitgeoefend, – met inbegrip van uw beroep op politiediensten die me omstreeks 8 u 30 melden dat ik me onmiddellijk met U moet in verbinding stellen.”

Zou deze e-mail het gevolg zijn louter van een inhoudelijke tegenstelling?

Ook omtrent de tussenkomsten van het Openbare Ministerie tijdens het beraad maakt de Hoge Raad een mengelmoes tussen vorm en inhoud: “[H]et openbaar ministerie [kan], gelet op het onaantastbare beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters, op geen enkele wijze tijdens het beraad ook maar enige invloed hebben op de inhoud van de rechterlijke beslissingen”.

Ook hier is het helemaal niet uitgesloten dat het Openbare Ministerie enkel op basis van een vormprobleem, van procedurele problemen in de besluitvorming, zijn stem heeft laten horen zonder, a fortiori, invloed te willen uitoefenen op de inhoud van het nog te vellen arrest. Delvoie erkende dit voor de parlementaire Commissie, toen hij niet ontkennend antwoordde op de volgende vraag: “Is het voor u denkbaar dat de minister, kenniskrijgende van een aantal problemen die zich voordeden – of die problemen nu echt zo erg waren of niet laat ik in het midden – op basis van artikel 399 en artikel 140, waarover procureur generaal Leclercq het gehad heeft, die boodschap is gegeven geweest zonder dat de minister ook maar enige inhoudelijke bedoeling gehad heeft? Is dat denkbaar volgens u?

4. De Hoge Raad: welke brugfunctie?

In de bovenvermelde gevallen neemt de Hoge Raad standpunten in in individuele zaken, en maakt van Fortisgate een mengelmoes (o.a. tussen vorm en inhoud), wellicht vanuit compromis-overwegingen. De meest betrokken magistraten worden elk half-beoordeeld en half-vrijgepleit. Over Delvoie zegt de Hoge Raad dat hij onprofessioneel te werk is gegaan; over Delvoie, Salmon en Blondeel wordt gezegd dat zij maatregelen hebben genomen van een ongeoorloofd karakter, met name het inschakelen van politie op een collega; over Schurmans wordt dan weer gesteld dat zij zich –omwille van haar karakter– niet heeft willen neerleggen bij de meerderheid waarbij de Hoge Raad ervan uitgaat dat het beraad niet was aangetast door onregelmatigheden (zoals een mogelijke uitsluiting uit het beraad of het vereisen van arbeidsprestaties tijdens ziekte); het Openbaar Ministerie zou zich teveel hebben betrokken bij de inhoud van het beraad, insinueert de Hoge Raad tenslotte.

In al die gevallen schendt de Hoge Raad het recht op een eerlijk proces van de betrokkenen.

Door (net als de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie in december 2008) met dit verslag vroegtijdig standpunt in te nemen in individuele dossiers mist de Hoge Raad een historische kans om zich als onafhankelijk en competent adviesorgaan op te stellen, en klinkt zijn roep om meer bevoegdheden –o.a. als “contactpunt voor magistraten” of als tuchtorgaan voor magistraten– even hol als de missie die de Hoge Raad zich zelf zonder succes heeft willen toemeten, met name het vervullen van “een brugfunctie […] naar de burger, naar de magistratuur en naar de politieke wereld om op die manier het vertrouwen in justitie te herstellen”.

Hoe naïef was Londers?

Wist de eerste magistraat van België -Ghislain Londers- wat hij deed toen hij de cassatienota schreef die uiteindelijk de regering Leterme-I ten val dreef?

Wat alleszins niet ontkend kan worden, is dat Londers wist dat de lange nota van 19 december 2008 ruime aandacht zou genieten in pers en media.

Die aandacht kreeg hij immers reeds vanaf 17 december tijdens de persconferentie die hij samen met de eerste voorzitter van het Brusselse Hof van Beroep Delvoie oganiseerde. Ook op 18 december 2008, toen hij zijn eerste brief naar de kamervoorzitter stuurde, kreeg Londers die aandacht.

Er was dus geen enkele reden om te vermoeden dat de media-aandacht nadien zou afzwakken. Integendeel: door de suspens die Londers door zijn aankondigende brief van 18 december 2008 veroorzaakte was het evident dat de cassatienota aan het parlement daags nadien als een bom zou inslaan.

Dat de nota grote ruchtbaarheid zou krijgen had Londers overigens zelf door: de vermelding ‘persoonlijk-vertrouwelijk’, nog aanwezig bovenaan de brief van 18 december 2008, nam hij niet meer op in de nota van 19 december 2008.

Londers verklaarde voor de parlementaire commissie: “mijn nota is een element geworden in een politiek machtspel. Ik was de controle van de inhoud van mijn brief kwijt. Men zou kunnen zeggen: ik ben naïef. Wel, j’assume cette naïveté, Ik stel me kwetsbaar op. Gedurende 30 jaren heb ik die onbevangenheid bewaard. Ik aanvaard in geen geval dat de val van de regering in mijn schoenen wordt geschoven. Dit is te kort door de bocht. Ik wil het politieke terrein niet betreden”.

Zelfs de pers en media merkten ironisch op dat de naïviteit van Londers wel erg ver ging : “[m]ais fallait-il être naïf pour s’imaginer que sa lettre n’allait pas circuler? Elle circule, la ‘bombrief’. Et le gouvernement tombe. Il n’a pas voulu ça, Ghislain. ‘Il est honnête, ingénu et maladroit’, dit-on de lui. Pour s’aventurer dans les hautes eaux politiques, il aurait fallu un pilote plus doué pour la manoeuvre.” (Le Vif L’Express, 13-19/2/09).

Hoe geloven dat een brief gericht aan het representatief orgaan van gans de Belgische natie geen politieke handeling zou uitmaken? Kan dit louter worden afgedaan als naïef?

En wat had Londers dan voor ogen toen hij in de begeleidende brief (die hij voorlas voor de parlementaire commissie) bij de cassatienota schreef dat hij zich “bewust was van het belang van de zaak en de mogelijke gevolgen”?

Naast een politieke handeling (Professor Vuye in DM, 5/3/09) maakte de cassatienota van 19 december 2008 ook een juridisch oordeel uit.

Londers schreef immers dat Schurmans “het geheim van het beraad klaarblijkelijk had geschonden, feit dat strafbaar is gesteld overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.”

Dit is duidelijk een ‘juridisch oordeel’.

Dat de hoogste magistraat in de cassatienota schreef dat dit besluit niet op een juridisch bewijs steunde relativeerde hij immers voor de parlementaire commissie. Hij getuigde dan letterlijk: “Wanneer ik heb gezegd dat ik geen juridisch bewijs had, zijn er voldoende juristen in de zaal om te weten dat een samenloop van vermoedens juridisch ook een bewijs kan zijn. Un faisceau de présomptions concordantes. Dat volstaat ook in rechte om een bewijs te zijn.”

Sinds wanneer velt een rechter publiekelijk een juridisch oordeel buiten de zittingszaal, en dat middels een nota (waartegen van nature geen beroep mogelijk is) gericht aan het parlement?